Technieken

pakketje.pngHier vindt u de uitleg van de grondvormen en basistechnieken. Voor alle grondvormen geldt: de grootte van de filigraanfiguur wordt bepaald door de lengte van de gebruikte filigraanstroken. Hoe langer de strook, hoe groter de figuur.   

Allereerst de open spiralen. Daarna zijn de gesloten spiralen aan de beurt.

De verschillende gerolde en gevormde spiralen vormen samen een motief. Voor de meeste filigraanvormen heb je dan ook maar korte strookjes nodig (bijv. 10 - 12 cm of zelfs nog korter). De lengte van de stroken pas je dus aan aan de gewenste grootte van het patroon. Het maakt dus niet echt uit hoe lang de stroken zijn die je koopt. De in kant en klare pakjes gekochte filigraanstroken zijn meestal 50 cm. lang, maar van andere papierstrooktechnieken, zoals papuela en tissu zijn alleen pakjes met korte strookjes verkrijgbaar. Zorg in ieder geval dat je voldoende strookjes hebt van de kleur(en) waar je mee wilt werken. Het zou immers jammer zijn als je net een paar strookjes van de juiste kleur te kort komt. De breedte van het filigraanpapier zorgt dat we niet alleen met de stroken kunnen rollen, maar ook andere technieken als inknippen, vouwen en winden zijn mogelijk.

open.pngWe beginnen dus met de open spiralen: Basisvormen: open spiralen
Daarna gaan we verder met de gesloten vormen: Basisvormen: gesloten spiralen
Of met huskings: Huskings